Onlangs heb ik een eerste gesprek gehad met een aankoopmakelaar. Ik betaal mij scheel aan de huur van mijn appartement aan het IJ dus in plaats van dit bedrag maandelijks aan de schatkist van de woningbouwvereniging (Scrabble-waardig) te doneren, leek het mij een goed idee om dit te investeren in een eigen plek onder de zon.

“Ik loop met een illusie armer de deur uit.”

Ik kom binnen in een prachtig pand op de Koninginneweg. Het is hen in ieder geval gelukt een paleis te bemachtigen, dus ik stap gevoed met goede moed naar binnen. Dit gevoel verdwijnt direct na de tweede slok van de cappuccino. Voor een huis tussen de 3 en 4 ton, moest ik toch echt rekenen op zo’n 55m2 aan woonoppervlak. Maximaal. Óh en ze adviseert me om alvast zo’n €40.000 aan eigen geld klaar te zetten om te overbieden. Dat schijnt aan de orde van de dag te zijn, mits je binnen een paar uur reageert. Anders is het huis al van de markt.

Terwijl ik wit wegtrek verzekert ze mij ervan dat de huizen wel heel handig zijn ingedeeld. Ik loop met een illusie armer de deur uit en pas mijn zoekopdracht op Funda direct aan naar een straal van +150km.

De vraag ‘wil ik nog wel in Amsterdam wonen?’ spookt steeds vaker door mijn hoofd. Ik hou van de stad, maar het gejaagde leven waarbij je altijd meer mist dan meemaakt, lijkt mij toch steeds minder te interesseren. Ik neig meer en meer naar het lezen van een boek, een goede wandeling en naar iets meer dan 55m2 om op te leven. Dat dit een typisch geval is van een eerste wereld probleem, ben ik mij overigens volledig bewust.

“De yuppen zitten aan de soy-latte’s en de Jordanezen blijven trouw bij eigen recept”

Een paar dagen later loop mijn wekelijkse rondje Westermarkt. Toeristen staan in de rij staan voor de lekkerste Appeltaart van de stad (en dat liegt Tripadvisor niet eens). De yuppen zitten aan de soy-latte’s en de Jordanezen blijven trouw bij eigen recept: een kopstoot.

In de nagelsalon zit een man met rode lippen en identiek roodgekleurde haren. Hij kijkt mij lachend aan terwijl de styliste druk met de vijl in de weer is. Ik ben op mijn beurt aan het bedenken welke kleur hij voor zijn nagels zal hebben uitgekozen.

Vervolgens rijdt een wat oudere man op scootmobiel, in volle vaart langs. ‘I was dancing in the rainnn!’, zingt hij uit volle borst met de stad als zijn miljoenenpubliek. Terwijl hij met gevaar voor ieder’s leven door de straat dendert, komt een typische Jordanese vrouw net de supermarkt uitgelopen. Ze roepen elkaar luid gedag. Haar (overduidelijk neppe) wit-blonde haren lijken van stro, maar het misstaat haar niet. Haar t-shirt met plak-diamanten ‘Boss Lady’ erop, maakt het geheel af.

“Mensen zijn hier zoals ze willen zijn”

Ik sta midden op straat stil. Omdat ik de woorden niet wil verliezen. Het besef bekruipt me. Dit is de reden dat ik ooit in deze stad ben komen wonen. Mensen zijn hier zoals ze willen zijn. De één nog gekker dan de ander. Iedereen vindt hier een thuis. Voor iedereen is er plek. Hoe klein en kolere duur ook.

Ik hoorde een echte Amsterdammer laatst zeggen dat wonen in Amsterdam je veel geld kost, maar buiten Amsterdam wonen je leven. Misschien heeft hij gelijk.