Ik kijk naar de mevrouw met koortslip, naast me in de rij. Het gezwel op haar lip lijkt mij pijnlijk. Zij lijkt er gelukkig minder last van te hebben. Haar ogen staren naar een groot logo dat prijkt op de stalen constructie die de luchthaven mag heten. De zeemeermin-achtige verschijning lijkt haar op ondoorgrondelijke wijze te verleiden.
 

Thuis zou ik dit niet snel doen, maar in de gierende drukte om mij heen, lijk ik mij compleet in het moment te verliezen.

“Een hartinfarct krijg je er gratis bij, maar dat vermelden ze minder expliciet dan de stukjes caramel.”

Ik volg de vrouw met ferme tred het geweld van de koffiemachine in. De rij is lang, de gezichten ook. Als ik een blik op het menu werp herinner ik mij waarom ik hier helemaal niet heen wil. Frappucino’s met stukjes caramel én slagroom. Een hartinfarct krijg je er gratis bij, maar dat vermelden ze wat minder expliciet dan de stukjes caramel.

Ik bestel een medium koude zwarte koffie. En dat is natuurlijk helemaal fout. De kassajuffrouw, excuus barista, kijkt mij aan alsof ik mijn blonde coupe zojuist eer aan heb gedaan. Ik negeer haar blik en herpakt mijzelf: ik zou graag een Grande Cold Brew willen. Haar blik veranderd rigoureus in zeer vriendelijk (lees: licht hysterisch) en ze vraagt om mijn naam. Elke keer weer een feest om te zien wat ze ervan maken. Vandaag mocht ik, licht schizofreen, verder de dag in als ‘Nane’. Je kan het slechter treffen, nietwaar?

“Zo aardig dat een cocktail van argwaan en verdriet mij bekruipt.” 

Nadat ik tien gulden (zet zo lekker dramatisch aan) heb neergelegd voor wat zwarte koffie met ijs, ga ik in de rij staan. Vol verwachting kloppen de harten van mijn mede-passagiers. De bijzondere namen vliegen me om de oren. Ik ben er nog niet over uit of de koffie of de mensen winnen. En aardig dat ze zijn, aaaaaaaardig dat ze zijn. Zo aardig dat een cocktail van argwaan en verdriet mij bekruipt.

Na tien minuten wachten krijg ik, net nadat de koortslip aan een rode smoothie is gaan sabbelen, het kopje koffie overhandigd. Begrijp mij niet verkeerd. Ik ben een voorstander van wachten, omdat in die tijd vaak kleine wonderen plaatsvinden. Je raakt in gesprek met een bijzonder figuur, wordt blij door de hond van de man voor je in de rij of geniet even van het grote niets ondersteund door de geur van verse koffie.

Ik word aangekeken, maar voel aan alles dat dit stap 8 in de handleiding is en geen oprecht moment van contact of verbinding. En geef hem eens ongelijk. Er staan nog zo’n dertien vendi moccacino-orders op hem te wachten.

“Er zit geen liefde in de koffie. Wel veel ijs.”

Ik neem plaats op een van de nep-leren-banken en zuig aan het wereldberoemde groene rietje. De koffie is prima, maar de smaak van haast, massaproductie en hyperconsumptie overheersen toch het Venezuleense boonaroma. Er zit geen liefde in de koffie. Wel veel ijs.

De koffie is op. Mijn naam prijkt op een verdrietige plastic beker met een paar eenzame blokken ijs. Ik leer ook nooit. Menschelijk, al te menschelijk, zou Nietzsche hebben gezegd. Zullen we het daar maar op houden?